Het grote Prozac complot

NA TWINT1G JAAR LANG HET ZOGENAAMDE WONDERMIDDEL VAN DE ANTIDEPRESSIVA TE HEBBEN VOORGESCHREVEN, HEBBEN PSYCHIATERS TOT HUN GROTE SCHRIK ONTDEKT DAT FARMACEUTISCHE BEDRIJVEN INFORMATIE HEBBEN ACHTERGEHOUDEN OVER DE RISICO’S VAN DEZE MEDICIJNEN – MET DE STILZWIJGENDE GOEDKEURING VAN DE CONTROLERENDE OVERHEIDSINSTANTIES.

Het begon allemaal zo veelbelovend toen geneesmiddelen als Prozac voor het eerst op de markt kwamen in de jaren tachtig. Daar was dan eindelijk een nieuwe categorie antidepressiva zo kregen we te horen, die de wereld van de psychiatrie totaal zou veranderen. De oude ‘vuile’ psychiatrische geneesmiddelen van de jaren vijftig zouden verdwijnen om plaats te maken voor een reeks medicijnen die door de wetenschap zo waren verfijnd dat ze inwerkten op de biochemische kern van depressie in de hersenen.
Deze nieuwe geneesmiddelen hadden een naam die zeer wetenschappelijk klonk (‘selectieve serotonine-heropnameremmers’), die vervolgens, op basis van de Engelse naam (Selective Serotonine Reuptake Inhibitor) in de kloeke afkorting ‘SSRT’ werd omgezet. Er zijn nooit eerder geneesmiddelen met zoveel succes op de markt gebracht; dat geldt zelfs zo sterk dat Prozac bijna synoniem is geworden voor antidepressiva, zoals Blue Band dat vroeger voor margarine was. Maar nu, twee decennia later, heeft de wereld van de psychiatrie eindelijk ontdekt dat zij voor een groot deel voor de gek is gehouden met die SSRI’s, zowel door de geneesmiddelenfabrikanten als door lakse controlerende instanties.

 

De ‘wonderen’ van de wetenschap
In de hersenen worden boodschappen tussen de hersencellen (neuronen) doorgegeven via een heel kleine tussenruimte, de synaps. Deze ruimte zit vol met chemische stoffen die tot taak hebben de communicatie tussen hersencellen te bewaken en informatie van het ene neuron naar het andere door te geven. Deze chemische stoffen worden daarom neurotransmitters genoemd. Wanneer een neuron met zijn buurman communiceert, bestookt het de synaps met een uitgebreid mengsel neurotransmitters, waaronder serotonine. In de jaren zeventig ontdekte men dat sommige geneesmiddelen die op recept verkrijgbaar waren, als bijwerking een depressie konden veroorzaken. Dit probleem bleek te worden veroorzaakt door een te kleine hoeveelheid serotonine in de hersenen. Vervolgens bedacht men dat depressies bestreden zouden kunnen worden als er een manier werd gevonden om de serotonine in de hersenen te laten toenemen. Het was al bekend dat de hersenen van nature de hoeveelheid neurotransmitters in stand houden door toe te staan dat de communicerende cel ze weer terughaalt uit de synaps. Dit proces wordt ‘heropname’ genoemd. Dus als er een manier kan worden gevonden om deze heropname stop te zetten (of af te remmen), dan zou de synaps voortdurend in neurotransmitters zijn ondergedompeld. Maar bij depressie speelt slechts één neurotransmitter een rol, namelijk serotonine, zodat alleen serotonine selectief geïsoleerd hoeft te worden uit het mengsel van neurotransmitters. Vandaar dat de farmaceutische bedrijven zichzelf halverwege de jaren zeventig tot taak stelden een geneesmiddel te vinden dat de serotonine eruit zou halen en zou voorkomen dat het opnieuw werd opgenomen door de uitzendende neuronen. Tien jaar later was de SSRI-familie een feit.

‘De droom van de marketingafdeling veranderde al snel
in een nachtmerrieachtige reclame toen patiënten begonnen

te klagen over bijwerkingen als misselijkheid, slecht seksueel functioneren,
slapeloosheid en inwendige bloedingen.’

De eerste SSRI verscheen midden jaren tachtig bij het Zweedse farmaceutische bedrijf Astra; de chemische naam van het geneesmiddel was zimelidine. Maar het werd al snel uit de markt gehaald toen patiënten het syndroom van Guillain-Barre kregen (een ernstige auto-immuunziekte waarbij het perifere zenuwstelsel beschadigd raakt). Kort daarna werd ook een tweede SSRI, een Frans geneesmiddel onder de naam indalpine, tegengehouden nadat was gebleken dat bloedcellen erdoor beschadigd werden. Andere farmaceutische bedrijven werden door deze voortekenen echter geenszins afgeschrikt – hoewel zij een belangrijk deel van hun verkooppraatje hadden ingeruimd voor de verwachting dat SSRI’s geen bijwerkingen zouden hebben.

Veiligheid en bijwerkingen
Behalve gevaar voor zelfdoding hebben SSRI’s nog andere bijwerkingen.
Slapeloosheid: tot 35 procent van de patienten heeft slaappillen nodig.
Seksueel disfunctioneren: tot 83 procent van de mannen kan geen orgasme krijgen; dit blijft soms zo, ook als men het middel niet meer gebruikt. In bizar contrast hiermee kunnen SSRI’s ook aanleiding geven tot het ‘gapen-opwinding-syndroom’, waarbij patienten seksueel opgewonden raken wanneer zij gapen, hetgeen vaak uitmondt in een orgasme.
Motorische onrust (acathisie): door een SSRI-deskundige omschreven als een ‘overweldigend naar gevoel’ en een ‘ondraaglijke rusteloosheid’ die de patiënt het gevoel geeft dat hij nog liever doodgaat. Het wordt soms ten onrechte aangezien voor een verergerende depressie, waardoor sommige artsen de doserlng nog verhogen. (1)


(1) J Psychopharmacol, 1998; 12: 192-214

Overige effecten

• Misselijkheid
• Overgeven
• Diarree
• Inwendige bloedingen
• Hoofdpijn
• Onrust
• Nervositeit
• Huiduitslag
• Gewichtstoename
• Lusteloosheid
• Transpireren
• Anorexia
• Vergeetachtigheid
• Attaques
• Angst
• Manie
• Duizeligheid
• Problemen met urineren
• Trillen of schudden
• Droge mond
• Vijandigheid
• Agressie

De eerste SSRI die op de markt kwam was fluvoxamine (zie kader Winstgevende octrooien), maar het ontbrak de producent, het in Georgia gevestigde Solvay Pharmaceutical, aan een pakkende marketingstrategie zodat de hele lancering als een pudding in elkaar zakte.
De enorme marketingmogelijkheden van de reusachtige Amerikaanse – en internationale – farmaceutische onderneming Eli Lilly waren ervoor nodig om de meeste SSRI-publiciteit voor zich op te eisen, toen ze in 1987 fluoxetine onder de gedenkwaardige merknaam Prozac lanceerde. De kranten slikten algauw het eigen verkoopverhaal van dit bedrijf en kwamen met koppen waarin Prozac werd omschreven als een ‘gelukspil’. Zelfs gewoonlijk zeer cynische journalisten beschreven Prozac als een waardevolle, snelle oplossing voor emotionele problemen en als een universeel geneesmiddel voor de spanningen van de twintigste eeuw.
Maar de droom van de marketingafdeling veranderde al snel in een nachtmerrieachtige reclame toen patiënten begonnen te klagen over vervelende bijwerkingen als misselijkheid, slecht seksueel functioneren, slapeloosheid en inwendige bloedingen. Erger nog, Prozac leidde soms tot gewelddadig en irrationeel gedrag. Een berucht geworden geval betrof een fabrieksarbeider van middelbare leeftijd die aan het moorden sloeg toen hij Prozac gebruikte, waarbij hij op zijn werk vijf mensen doodde en twaalf anderen verwondde. Een ander voorbeeld van weerzinwekkend gedrag door het gebruik van dit geneesmiddel betrof een vrouwelijke patiënt die haar moeder aanviel en haar zo gemeen begon te bijten dat zij erin slaagde om twintig happen uit haar moeder te nemen. Eli Lilly werd veroordeeld tot het betalen van een flinke schadevergoeding.
Toen SmithKline Beecham (nu GlaxoSmithKline of GSK) kwam aanzetten met hun eigen SSRI, Seroxat (paroxetine), werden bij dit middel vergelijkbare bijwerkingen waargenomen. Zelfs artsen begonnen hun bezorgdheid te uiten. ‘Dokters zien bij SSRI’s langdurige bijwerkingen die veel erger zijn dan wat we verwachtten op grond van de klinische testgegevens,’ verklaarde dr. Norman Sussman, een psychiater aan het academisch ziekenhuis van de universiteit van New York, in 1998 tegenover de pers.(1)

‘Een berucht geworden gevalbetrof een fabrieksarbeider die
aan het moorden sloeg toen hij Prozac gebruikte,
waarbij hij op zijn werk vijf mensen doodde en twaalf anderen verwondde.

Binnen een paar jaar werd ook het middel Seroxat voor de rechter gedaagd, in navolging van Prozac. In juni 2001 werd GSK veroordeeld tot het betalen van 6,4 miljoen dollar aan de familie van Donald Schell, die al na twee dagen Seroxat zijn vrouw, dochter, kleindochter en tenslotte zichzelf doodde. Hoewel GSK probeerde duidelijk te maken dat dit niet door het geneesmiddel kwam, verklaarde de Britse getuige-deskundige dr. David Healy van de universiteit van Bangor in Noord-Wales tegenover de rechtbank dat hij oude documenten van SmithKline Beecham had gevonden waarin werd erkend dat er al na enkele dagen ernstige tekenen van opgewondenheid konden ontstaan als dit middel werd gebruikt.

Winstgevende octrooien
Generieke naam (handelsnaam)Citalopram (Celexa, Cipramil, Emocal, Sepram)
Fluoxetine (Prozac, Fontex, Seromex, Seronil, Sarafem, Fluctin)
Fluvoxaminemaleaat (Luvox, Faverin, Fevarin)
Paroxetine (Paxil, Seroxat, Aropax, Deroxat)
Sertraline (Zoloft, Lustral, Serlain)
FabrikantLundbeck
Eli LillySolvay
GlaxoSmithKline
Pfizer
Octrooi
geldig tot
2002
20001996
2006
2005

 

Klokkenluider
Dr. Healy, inmiddels hoogleraar psychiatrie aan de faculteit Psychologische Geneeskunde van Noord-Wales, is nu opnieuw in het nieuws gekomen na het publiceren van een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift waarin hij de farmaceutische Industrie en de officiële toezichthoudende instanties van vuil spel beticht.(2) De kern van zijn bezorgdheid is dat deze geneesmiddelen er de oorzaak van zijn dat mensen soms zelfmoord plegen. Blijkbaar kunnen deze zeer geavanceerde medicijnen inderdaad het fatale gedrag oproepen dat psychiaters juist voortdurend proberen te voorkomen.

‘De eerste waarschuwingen klonken al in 1997,
toen onderzoekers bij placebogecontroleerde klinische testgegevens
voor fluoxetine een piek aan zelfdodingen constateerden.’

De eerste waarschuwingen dat dit effect plaatsvond klonken al in 1991, toen onderzoekers naar de placebogecontroleerde klinische testgegevens voor fluoxetine keken en een piek aan zelfdodingen constateerden.(3) De farmaceutische bedrijven verdoezelden dit soort uitkomsten en klaagden zelfs dat placebo gecontroleerd onderzoek onethisch was omdat SSRI’s overduidelijk zowel effectief als veilig waren. Zoals professor Healy onthult in zijn artikel in het British Medical Journal, kreeg hij voor een deel ‘toegang’ tot de oorspronkelijke gegevens van farmaceutische bedrijven die hun officiële pr-uitingen tegenspreken. Volgens de onderzoeksresultaten die werden voorgelegd aan de autoriteiten die de vergunningen afgeven, zo kon hij bevestigen, ‘komt bij alle antidepressiva die sinds 1987 zijn goedgekeurd een overdaad aan zelfdodingen voor’. De fabrikanten, zo zegt hij, hebben de gegevens over zelfdoding ‘weggemoffeld’ door met de onderzoeksresultaten te knoeien, een praktijk die met een eufemistische term ‘hercoderen’ wordt genoemd.
Toen Healy met zijn sensationele ontdekking Pfizer (dat sertraline maakt, dat onder de naam Zoloft op de markt is) en GSK ter verantwoording riep, ontkenden zij niet dat er een vorm van hercoderen had plaatsgehad, maar zij merkten op dat ‘de PDA (de Food and Drug Administration, de regulerende en controlerende instantie in de VS) deze gegevens niet heeft bekritiseerd of het rapport als onbehoorlijk heeft gekenschetst noch om aanvullende analyses heeft gevraagd’. Uit documenten die zijn verkregen door een beroep te doen op de Wet Vrijheid van Informatie blijkt echter dat de FDA-medewerkers volledig op de hoogte waren van dit hercoderen. Tegen de farmaceutische industrie hebben zij echter gezegd dat zij het verband tussen SSRI en zelfdoding niet als ‘een echt probleem zagen, maar meer als een publicrelationsprobleem’, aldus Healy. Toch zijn er tussen 1990 en 2000 niet minder dan vier studies gepubliceerd waaruit blijkt dat SSRI’s tot ‘een verhoogd risico op zelfdoding’ leiden, met als hoogtepunt een Brits rapport onder de titel ‘Opzettelijke zelfbeschadiging en antidepressiva’. Dit laatste rapport betreft een onderzoek naar de gevallen die in een ziekenhuisregio bij de eerste hulp werden binnengebracht, waaruit bleek dat mensen die SSRI’s gebruikten 5,5 keer meer kans hadden op zelfdoding.(4)

Wat dan?
Allergieen, het niet verdragen van bepaalde voedingsmiddelen of een tekort aan voedingsstoffen kunnen allemaal aanleiding zijn voor een depressie. Zorg dus eerst dat u de voedingsstoffen binnenkrijgt die u nodig hebt door de volgende voedingssupplementen te gebruiken.

  • Een goed vitamine-B-complex, met 50 ug B12 en biotine, 400 ug foliumzuur en 50 mg van de andere vitaminen B.
  • Vitamine C, 500 mg tweemaal daags.
  • Calcium, 500 mg per dag, en magnesium, 200 mg per dag (beide noodzakelijk voor het zenuwstelsel). In een recent onderzoek bleek een ‘snel herstel van een depressieve episode (minder dan zeven dagen)’ met magnesiumsupplementen. (1)
  • 5-HTP (plantaardig tryptophan), 200 mg per dag. In vergelijking met bijvoorbeeld fluvoxamine (zie kader Winstgevende octrooien) is 5-HTP minstens 10 procent beter in het terugdringen van depressie, angst, slapeloosheid en lichamelijke klachten en het werkt bovendien sneller. (2)
  • Zink, 15 mg per dag.
  • Essentiele o.nega-3-vetzuren (bijvoorbeeld levertraan), 2 g per dag, of EPA (eicosapentaeenzuur), 7 g per dag. In een studie leidde hetgebruik van essentiele vetzuren al na twaalf weken tot afname van de depressie bij de helft van de patiënten die geen baat hadden gehad bij de traditionele geneesmiddelen.(3)
  • Sint-janskruid, 300 mg driemaal daags. Uit een meta-analyse van 23 studies bleek dat dit kruid helpt bij een lichte tot matige depressie en even doeltreffend is als de standaardbehandeling met medicijnen, moor minder negatieve bijwerkingen heeft.(4)Controleer of de tabletten een ‘gestandaardiseerde’ hoeveelheid van 0,3 procent hypericine bevatten (het belangrijkste ingrediënt van sint-janskruid) en ook 5 procent hyperforine, dat volgens een recente ontdekking eveneens een belangrijk natuurlijk bestanddeel is.(5) Neem vaste tabletten, want die zijn langer houdbaar dan capsules.

Andere alternatieve behandelingen zijn de volgende.

  • Lichamelijke inspanning. Zet je lichaam in beweging. In een Duits onderzoek bleek dat een depressieve stoornis afnam door elke dag een halfuur op de loopband te lopen; dit gold voor alle patiënten, terwijl meer dan de helft een ‘aanzienlijke verbetering’ waarnam. Het positieve effect was vooral opmerkelijk bij mensen die geen baat hadden gehad bij antidepressiva.(6)
  • Acupunctuur. Een Chinese studie heeft een rechtstreekse vergelijking gemaakt tussen acupunctuur en Prozac. Acupunctuur bleek beter te zijn omdat het veel sneller werkte, terwijl het enige neveneffect een lichte vermoeidheid was.(7)
  • Gedachteveldtherapie (met de vingers op acupunctuurpunten tikken). Gedachteveldtherapie blijkt klachten van emotionele spanning met 50 procent te verminderen.(8)
  • Lichttherapie. Neem een lamp die minstens 10.000 lux afgeeft en gebruik die een halfuur tussen zeven en negen uur ’s morgens. In een klinisch onderzoek is lichttherapie afgezet tegen Prozac en het geneesmiddel bleek niet beter te werken.(9)

(1) Med Hypotheses, 2006; 67: 362-370
(2) Psychopalhology, 1991; 24: 53-81
(3) Arch Gen Psychiatry, 2002; 59: 913-919
(4) BMJ, 1996; 313:253-258
(5) pharmacopsychiatry, 1998; 31 Suppl 1: 54-59
(6) Br J Sports Mad, 2001; 35: 114-117
(7) J Tradit Chin Med, 2005; 25: 243-246
(8) Traumatology, 1999; 5: 1, artikel 4
(9) Am J Psychiatry, 2006; 163: 805-812

 

Weinig actieve overheid
Healy laat zien dat er sprake is geweest van een samenzwering tussen de autoriteiten en de medicijnenfabrikanten om de gegevens zo goed mogelijk uit de verf te laten komen. Zo had de FDA via de achterdeur een afspraak met Pfizer dat de gegevens over sertraline en zelfdoding geanalyseerd zouden worden alsof het ging om een constant risico, ook al wisten zij dat uit de gegevens duidelijk blijkt dat het aantal zelfdodingen een piek vertoont in de eerste paar weken dat het middel wordt gebruikt. Een dergelijke manier van middelen is ronduit ‘manipulatie van gegevens’, zegt Healy, omdat daarmee de ware omvang van het zelfdodingsprobleem wordt verbloemd. Uit zijn eigen analyse blijkt dat de meest recente gegevens voor paroxetine wijzen op zelfs een vijfvoudig verhoogd risico van zelfdoding, wat overeenkomt met eerder gevonden cijfers. Een ander punt van zorg zijn kinderen. Het verbazingwekkende is dat SSRI’s al aan kinderen van twee jaar worden gegeven. Het aantal neemt exponentieel toe naarmate de kinderen ouder worden. Zo is het aantal recepten waarin sertraline wordt voorgeschreven aan kinderen van twee tot negentien jaar, gedurende de tien jaar van 1988 tot 1998 al verdrievoudigd – van 40 miljoen naar 120 miljoen recepten – na de invoering van fluoxetine.(5) In Nederland zijn de cijfers wat onduidelijk omdat in de metingen de grens soms bij achttien, soms bij twintig jaar wordt gelegd. Agnes Kant, die regelmatig kamervragen stelt over dit onderwerp, schat dat 10.000 tot 20.000 kinderen in Nederland een SSRI krijgen voorgeschreven. Al even verrassend is het dat er maar heel weinig SSRI’s officieel zijn vrijgegeven voor toepassing bij kinderen, zodat het bij al die recepten voor hen om ‘oneigenlijk’ gebruik gaat.

‘SSRI’s hebben nooit beter gewerkt dan
de geneesmiddelen die zij moesten vervangen.’

Met deze term wordt aangegeven dat artsen een geneesmiddel dat voor een bepaalde toepassing officieel is goedgekeurd, gebruiken om aandoeningen te behandelen waarvoor het niet is goedgekeurd.
Eigenlijk zijn maar weinig geneesmiddelen ooit op kinderen getest. De achterliggende redenering hierbij is dat kinderen eenvoudig ‘kleine volwassenen’ zijn, zodat het risicoprofiel van een geneesmiddel gerust op hen kan worden toegepast zolang de dosering maar op de juiste manier naar beneden wordt aangepast omdat zij kleiner zijn. Maar dat geldt niet automatisch voor alle gevallen. Zo blijkt Ritalin, het beruchte geneesmiddel tegen hyperactiviteit, bij kinderen als een antidepressivum te werken, terwijl het een stimulerend middel is wanneer volwassenen het gebruiken. We weten dus dat kinderen totaal anders kunnen reageren dan volwassenen, in het bijzonder als het gaat om geneesmiddelen die de stemming veranderen. In het geval van de SSRI’s werden psychiaters grotendeels voor het eerst op het zelfmoordprobleem geattendeerd door het feit dat kinderen inderdaad met gewelddadige zelfbeschadiging op deze middelen reageerden. In 1991 deden artsen van de Yale University verslag van de behandeling van zes kinderen, van tien tot zeventien jaar, die ‘heel sterk aan zelfbeschadiging gingen denken of dergelijk gedrag gingen vertonen’ toen zij Prozac kregen. Een veertienjarig meisje dat nog nooit suïcidaal was geweest, begon bijvoorbeeld na drie weken dit middel te gebruiken zichzelf te snijden of anderszins te verwonden. Zij vertelde de mensen van het ziekenhuis: ‘Ik wacht gewoon op de mogelijkheid om mezelf van kant te maken’ en ze scandeerde: ‘Dood, dood, dood; sterf, sterf, sterf; pijn, pijn, pijn’.(6) In een ander onderzoek, dat tien jaar later werd uitgevoerd, bleek dat SSRI’s tot een toename van suïcidaal gedrag bij kinderen leidden.(7)

‘Een belangrijk psychiatrisch tijdschrift concludeerde dat
onderzoek niet langer betrouwbaar is wanneer het
door de farmaceutische Industrie wordt betaald.’

Toch duurde het nog tot 2003 voordat de Britse Medicines and Healthcare Products Regulatory Agency (MHRA) eindelijk adviseerde om geen SSRI’s aan kinderen te geven – en dit alleen maar omdat zij gedwongen waren om tot actie over te gaan door berichten in de media over zelfdodingen bij tieners door het gebruik van Seroxat. Waarom hebben zij daar zo lang over gedaan? Volgens Healy waren daar twee redenen voor: ‘gebrek aan statistische deskundigheid’ bij de MRHA (en ook bij de FDA) en een manier van denken die ‘de voordelen van geneesmiddelen overschat en de risico’s ervan onderschat’. Het gevolg is, zo zegt hij, dat zowel de Britse als de Amerikaanse toezichthoudende instantie perse zulke ijzersterke statistische bewijzen voor eventuele schadelijke effecten verlangt dat dit een ‘bijna onneembare drempel’ vormt. Het toppunt van ironie wat betreft deze officiële onbuigzaamheid deed zich voor in mei van dit jaar, toen GlaxoSmithKline zelf een brief naar de artsen stuurde waarin ze hen waarschuwt dat de kans op zelfdoding door paroxeline met een factor zes kon toenemen, een cijfer dat tot dusver noch door de FDA noch door de MHRA is erkend. ‘Veel mensen verwachten dat farmaceutische bedrijven maar langzaam toegeven dat een geneesmiddel risico’s met zich meebrengt,’ is het droge commentaar van Healy, ‘maar wij verwachten niet dat onze toezichthouders nog langzamer zijn.’

 

Belangrijke bijwerkingen
Een extra aantal zelfdodingen is nog maar het begin. Er zijn ook grote problemen met bijwerkingen en doeltreffendheid. Na twintig jaar ervaring met SSRI’s blijkt nu dat deze supergeavanceerde geneesmiddelen, waarvan men ooit hoopte dat zij relatief vrij van bijwerkingen zouden zijn, in werkelijkheid potentieel nog gevaarlijker zijn dan de grove tricyclische antidepressiva (TCA’s) uit de jaren vijftig die zij moesten vervangen (zie kader Winstgevende octrooien).
Maar het SSRI-schandaal strekt zich nog verder uit. De enige reden waarom SSRI’s op de markt mochten komen, was dat de farmaceutische Industrie beweerde dat zij veel beter waren dan de bestaande TCA’s.
ënten. Ter illustratie volgen hier enkele letterlijke citaten over wat onderzoekers hebben gevonden bij drie verschillende groepen patienten:

  • Mensen met een lichte depressie: ‘…
    Geen verschillen tussen TCA’s en SSRI’s’ (8)
  • Depressie in het algemeen: ‘Er zijn geen klinisch significante verschillen in de werkzaamheid van TCA’s en SSRI’s’ (9)
  • Ouderen: ‘… SSRI’s en TCA’s zijn even doeltreffend’ (10)

Eindelijk komt de waarheid dus naar buiten: SSRI’s hebben nooit beter gewerkt dan de geneesmiddelen die zij moesten vervangen. De woede waarmee de psychiatrie op deze onthulling heeft gereageerd, is duidelijk voelbaar. Zelfs gewoonlijk behoudende medische vakbladen hebben zich uitgesproken tegen deze middelen. Een belangrijk psychiatrisch tijdschrift concludeerde dat onderzoek niet langer betrouwbaar is wanneer het door de farmaceutische Industrie wordt betaald: ‘We moeten omzichtig te werk gaan bij het interpreteren van onderzoeken die door een farmaceutisch bedrijf gesponsord worden, gezien de tekenen van selectieve vooringenomenheid in hun rapportages en publicaties.’ (11) Een ander tijdschrift dat zijn bijdragen door kritische collega’s laat beoordelen, verklaarde dat wanneer de echte gegevens over deze middelen niet waren achtergehouden, deze gegevens hadden kunnen bewijzen dat de middelen niet werken: ‘We zijn erachter gekomen dat farmaceutische bedrijven selectief gegevens naar buiten hebben gebracht die een positief beeld gaven van hun producten en dat, wanneer we de achtergehouden en gepubliceerde gegevens met elkaar combineren, de uitkomst daarvan is dat de werkzaamheid van die medicijnen in de meeste gevallen twijfelachtig is.’ (12)
Al het nog resterende vertrouwen in de SSRI’s is nu waarschijnlijk voorgoed verdampt. Maar de meeste grote farmaceutische bedrijven die SSRI’s produceren, zullen hiervan geen negatieve gevolgen ondervinden voor de beurskoers van hun aandelen. De meeste SSRI-octrooien zijn per slot van rekening al verlopen (zie kader Winstgevende octrooien). Het lijkt er dus op dat de farmaciegiganten reeds al het geld hebben binnengehaald dat ze krijgen kunnen en nu gauw maken dat ze wegkomen – na als het ware een ramkraak op de psychiatrie te hebben uitgevoerd.
Toch heeft hun toekomstige aandeel in deze lucratieve markt misschien schade opgelopen. Analytici van de farmaceutische Industrie waarschuwen dat ‘de wereldmarkt van de antidepressiva in ernstige problemen verkeert’ met een opbrengst van ‘slechts’ 7 miljard dollar per jaar, 50 procent minder dan op hun hoogtepunt. (13) Ook voorspellen zij dat ‘de wereldmarkt zal instorten’, voornamelijk omdat er onvoldoende nieuwe antidepressiva in de pijplijn zitten.
Dat kan wel zo zijn, maar er zijn nog minstens drie andere redenen waarom de markt kan instorten. Het vertrouwen dat mogelijk tussen psychiaters en hun patiënten en de farmaceutische industrie heeft bestaan, is waarschijnlijk blijvend beschadigd. Met deze bedroevende episode zijn er vraagtekens geplaatst bij het biochemische depressiemodel, inclusief biochemische manipulatie als remedie. Het gevolg is dat patiënten misschien eerder een beroep zullen doen op de vele veilige, natuurlijke antidepressiva die hun ter beschikking staan.

 

TONY EDWARDS

 

(1)–Clin Psychiar News, 1998; 26:1
(2)-BMJ, 2006; 333: 92-95
(3)BMJ, 1991; 303: 685-692
(4)-Br J Psychiatry, 2000; 177: 551-556
(5)Pediatrics, 2002; 109: 721-727
(6)-J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 1991; 30: 179-186
(7)-J Am Acad Child Adolesc Psychiatry, 2001; 40: 1364-1365
(8)–Cochrane Database Syst Rev, 2000; 4: CD001130
(9)–Cochrane Database Syst Rev, 2000; 2: CDOOI851
(10) Cochrane Database Syst Rev, 2006; 1: CD003491
(11) Curr Opin Psychiatry, 2005; 18: 21-25
(12) J Clin Psychol, 2006; 62: 235-241
(13) The World Market for Antidepressants, 2006

 

Dit artikel is met toestemming van de uitgever overgenomen uit tijdschrift Medisch Dossier, jaargang 8, nummer 10. Voor meer informatie ga naar www.medischdossier.org.

Deel dit artikel op..
Dit bericht is geplaatst in Artikelen A, Artikelen D, Artikelen H, Artikelen P met de tags , , , . Bookmark de permalink.